Wat is kwalitatief onderzoek?

 

Letterlijk genomen betekent kwalitatief onderzoek, in tegenstelling tot kwantitatief onderzoek, dat je onderzoek gericht is op (relaties tussen) kwaliteiten van sociale eenheden en processen (personen, groepen, organisaties, interacties, structuren) en niet op (relaties tussen) gradaties of aantallen. 
Bij vergelijking tussen eenheden betekent dit dat je niet op zoek bent naar rangordeningen van eenheden op graduele variabelen maar naar classificatie van eenheden in relevant verschillende klassen.
Het gaat bijvoorbeeld niet om de scores op leeftijd in levensjaren maar om een indeling in levensfasen of leefvormen - die afhankelijk van je vraagstelling verschillend gedefinieerd kunnen worden. Je bent op zoek naar (beschrijving en verklaring van) diversiteit, niet zozeer naar variatie in sterkte of hoogte of intensiteit van een bepaald kenmerk. 
De verklaring waarom sommige eenheden van type A zijn en andere van type B (bijvoorbeeld falende en succesvolle behandelingen) zal kwalitatief onderzoek zoeken in combinaties van sociale en historische contextkenmerken, niet in correlaties tussen gradaties in een aantal kenmerken (variabelen).

In de wetenschapsgeschiedenis is de term 'kwalitatief' echter niet beperkt tot deze formele betekenis; integendeel, dit verschil speel maar een beperkte rol. De discussie is veel eer een ideologische.
De term 'Kwalitatief onderzoek' is sinds de jaren 1960 in zwang gekomen voor de aanduiding van sociaal-wetenschappelijk onderzoek dat zich wilde onderscheiden van het gestandaardiseerde statistische survey-onderzoek, en het natuurwetenschappelijke ideaal dat in de naoorlogse periode dominant was geworden in verschillende sociaalwetenschappelijke (sub)disciplines.

De dominante wetenschapsbeoefening (de 'vijand') werd daarbij veelal benoemd als 'het positivisme' dat bovendie geïdentificeerd werd met objectivisme en in de sociologie met het 'structureel functionalisme'. 

Veel kwalitatieve onderzoekers stelden een humanistische ideologie tegenover het positivisme; zo bijvoorbeeld George Homans in zijn klassieke artikel: Bringing men back in (ASR 1964).

In Nederland heeft Adri Smaling in zijn proefschrif Methodologische objectiviteit en kwalitatief onderzoek (1987) een belangrijke bijdrage geleverd aan de wetenschapstheoretische onderbouwing van een humanistisch kwalitatief alternatief. Hij definieert wetenschappelijk objectiviteit als: recht doen aan het object van onderzoek, dus aan (het perspectief van) de persoon die geïnterviewd wordt. Dat vereist een open houding en een open bevraging van proefpersonen in plaats van een gestandaardiseerde vragenlijst,zo is de gedachte. Begrijpelijkerwijze vindt deze opvatting over objectiviteit vooral instemming bij onderzoekers onder de cliëntele van gezondheidszorg en hulpverlenings-instellingen, als een tegenwicht tegen het kosten- en effectiviteitsgerichte denken van managers en verzekeraars.. 

De humanistische kritiek uitte zich methodologisch in een verzet tegen het algemeen gangbare deductivisme waarbij de onderzoeksvraagstelling wordt afgeleid van een abstract theoretisch kader en de dataverzameling zich beperkt tot zoeken naar gegevens die de theoretisch afgeleide hypothese kunnen weerleggen.

Het klassieke antwoord op dit deductivisme is het boek van Glaser en Strauss over Grounded Theory; inNederland uitgewerkt door Fred Wester in zijn 'Strategieën voor kwalitatief onderzoek'.

 

- wordt vervolgd -